Connie

Ik lig met De Wetten in bed, het debuut van Connie Palmen. En terwijl ik over de mannen lees die één na één haar jonge leven overhoop gooien, lig ik feitelijk ook met die mannen in bed. Soms droom ik mee, soms komt behoorlijk wat afgrijzen opzetten.

Hoewel het aandeel van de jonge schrijfster in het aangaan van die relaties niet te onderschatten is, kijk ik vol bewondering hoe zij zich onvoorwaardelijk openstelt, keer op keer. Hoe ze afwacht en haar zelfbescherming uiteindelijk overboord gooit en vol vooruit gaat.

Het loopt niet goed af, het loopt nooit goed af. Maar ze doorziet ten minste haar mechanisme. Dat haar mysterieuze karakter waar die mannen zo gek op zijn een en al smacht en smart maskeert, is het niet om zichzelf te redden dan om de ander.

Waar ik nog het meeste jaloers op ben zijn haar kunst tot beschouwen en haar studie filosofie. Praktisch simultaan volg ik haar gedachtegang, alsof ik net achter haar de trap op loop en zonder problemen het denkritme volg zonder een trede over te slaan.

Er zijn momenten dat ik de woorden voel, wanneer ze beschrijft hoe de wereld om zich heen op haar inhakt en ik denk: Maar Connie, ben jij hoogsensitief?

Jij zegt het – I.M. – De vriendschap – De wetten

Het begon voor mij met Jij zegt het waarin ik passages kleurde en in de kantlijn kriebelde.

Een heerlijk, stukgelezen tweedehandsexemplaar van I.M. bracht me bijna meteen naar De Vriendschap waarvan ik – nu ik het opnieuw vastneem – ontelbare hoekjes heb omgeplooid om een duidelijk onderscheid te maken tussen mijn favoriete passages en die van mijn voorganger (want ja, ook tweedehands).

De Wetten kocht ik van mijn schrijfjuf Tine Mortier die richting Costa Rica vertrok. Dankzij Tine kon ik twee jaar geleden last minute naar je interview in het Kortrijkse Penhuis.

Maar nu, liefste Connie, – het voelt alsof ik je genegeerd heb maar waarom? – nu is het hek van de dam. De aflevering van Wanderlust waarin Alicja Gescinska bij je op bezoek komt, staat klaar. Je afstudeerscriptie Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates en je essay Het geluk van de eenzaamheid liggen voor me.

Het spijt me, maar ik geloof dat ik een idool heb.

Connie Palmen (foto Annaleen Louwes, Uitgeverij Prometheus)

De almachtige

Ik wil de herfst binnen slenteren. Maar ik vind de ingang naar het bos niet. Mijn verlangen er te zijn reikt over de daken van de huizen die in de groene rand zijn opgetrokken. Huizen die ruiken naar zoete peperkoek, waar de hete theepot de godganse dag op de stoof staat te tuffen, waar het zonlicht schuin naar binnen valt en met in de tuinen schommels die uitdagend slingeren over de bosrand, waarop je de benen strekt in een hunkering naar het verlokkelijke lichtspel van het woud maar ook de knieën weer buigt omdat de roep van moeder binnenshuis je lokt. 

Andere huizen lijken te zijn gebouwd op veroverde grond, wanneer het sprookje is gekocht. Tussen zonsopgang en zonsondergang is er achter de ramen geen leven te bespeuren. Er wonen eigenaars die pakken biljetten in hun achterzak dragen en het blinkende wagenpark doet de magie van de natuurkunst teniet. 

Tussen al die verschillende dromen ontmoet ik een schaap, lustig grazend van fris, lang gras in een weide zonder omheining. Die is ontsnapt, denk ik en ik knik bewonderenswaardig naar het dier. Het accepteert mijn glimlach en eet gemotiveerd verder. 

Wanneer de hoge bomen me eindelijk welkom heten, bedenk ik dat ik evengoed een egel kan zijn. Of een reus. Want het bos dat is almachtig. Hoe het er ook ruikt naar vrijheid en moespap van de gevallen bladeren, de geest van de natuur is voor elk wezen zowel zalvend als angstaanjagend. Moedig stap ik door. De verwondering ligt er voor het rapen als je je ogen en oren open houdt en met veel meer in mijn zakken dan een hand vol kastanjes laat ik het bos weer achter me. 

Als je de herfst binnenstapt, keert het seizoen je om.

Trillingen – de podcast

Misleidys Castillo Pedroso
Misleidys Castillo Pedroso

De podcast TRILLINGEN staat online
Daarvoor mocht ik op bezoek bij twee getuigen die te maken kregen met een positieve NIP-test en een zwangerschapskeuze moesten maken.

Laat ik vertellen hoe dat allemaal ging.

‘We gaan op zoek naar persoonlijke verhalen en delen die.’ Zo spraken we af. Ter voorbereiding keek ik naar de heftige film ’24 Wochen’. Als tegengewicht ging ik achteraf wandelen en ik bleef maar rondjes lopen. Waar haalde ik het recht vandaan om daarom te vragen?

Maar ik deed het toch, met tonnen nuance en met respect, en toen we een filmpje hadden gemaakt met de oproep naar mensen die wilden getuigen over hun ervaring met een positieve NIP-test, werd ik een eerste keer overdonderd. Omdat de reacties kwamen. Dat alleen al. 

Het Excel-bestand vulde zich lijntje voor lijntje.
Ik legde mijn vinger op het blad en koos twee getuigen.
En toen mocht ik op bezoek.

Eerst was er koffie. En meteen stapte ik mee in een verhaal waarvan ik slechts twee elementen op voorhand wist: een zwangerschap en een keuze.

Ergens in het begin is er een bloedtest, de NIP-test die bij de baby het syndroom van Down opspoort, en ergens verderop komt de keuze. Daarvoor, daartussen en daarna zijn er dromen, wensen, processen, beslissingen en herinneringen. Naar dat alles mocht ik luisteren.

Ik kan niet anders dan met dankbaarheid naar TRILLINGEN terugkijken. Niets anders dan dankbaarheid. En ik kan niet anders dan te vragen of je deze verhalen wil delen? Want daar zijn ze immers voor.
Deel de link.
Deel TRILLINGEN.

Zielenroep

Die dag ga ik solliciteren in een psychiatrische instelling. Meer dan met het gesprek ben ik bezig met het idee dat ze me er zullen houden. Omdat ik niet stabiel ben, omdat ik het sollicitatiespel dat ik normaal goed kan spelen bij hen niet zal kunnen spelen. Omringd door zielenknijpers, argusogen en friemelbreinen vrees ik door de mand te zullen vallen.

En ook, ik ben visueel niet evenwichtig. De pijnlijke lies die de kop opsteekt na een week in een stapelbed te slapen trekt door naar mijn knie en enkel. Tijdens het stappen schiet ik nu en dan door mijn been waardoor ik lichtjes hink. Ik zie mezelf al struikelen door lege, imposante gangen op zoek naar het kamertje waar de interviewer op me wacht, doordrenkt van het pijnlijke besef dat alle ogen op het domein – die van personeel én patiënten – dwars door mijn masker heen kijken. Ik zal zoeken naar de canapé waarop ik mag gaan liggen en de vraag ‘noem drie negatieve kenmerken van jezelf’ met geschreeuw beantwoorden: ‘Er zijn er zoveel, meneer.’

De hoge plafonds zullen de echo van mijn zielenroep incasseren en er zal geknikt worden. ‘Het is goed dat je gekomen bent.’ Ik zal naar adem happen. Door smalle, dunne vensters zal ik een roodborstje zien springen in de takken van een bessenstruik. En er zal verlichting komen. Verlichting in de hand die op mijn schouder zal liggen. Een hand die me door de nu dun bevolkte gangen richting uitgang brengt. En de zon zal schijnen. Met de gloed van de hand op mijn schouder zal ik bevrijd worden. En ik zal zeggen: ‘Het is zo gek nog niet.’

Stemvork

De manier waarop ze de stemvork vastnam en tegen de gitaar aantikte. Ik gruwelde ervan. Ik zat in de gitaarles, die was op donderdagavond. Mijn linkervoet moest op dat idiote voetstuk. Hoe lager ik het met de jaren mocht afstellen, hoe trotser en ook groter ik werd. Onder mijn rechterpols moest een denkbeeldige tennisbal kunnen. Maar ik had geluk, mijn lange vingers compenseerden mijn gebrek aan talent. De juf had alleen aan haar rechterhand immens lange nagels, die van haar andere hand knipte ze afgrijselijk kort. Ik beeld me in dat ze met woeste gebaren het nagelschaartje hanteerde. Ze was streng. En een roker.

Een stemvork – ik heb dat nooit gehad, mijn gehoor vertrouwde op een apparaatje op batterijen – heeft op mij een ijzig nazinderend effect. Maar op dit moment heb ik het nodig. Wikipedia zegt dat een stemvork ‘zo is geconstrueerd dat de toon nauwelijks afhangt van temperatuur en luchtvochtigheid’. De vork stelt ons in staat in alle omstandigheden te kiezen voor trillingen die potverdikke perfecte klanken benaderen. Maar ik ben bezig met een project dat zich vragen stelt bij perfectie, bij de perfecte mens. Bij keuzes die we omwille van steeds betere technologieën moeten maken. En ik wil daarover praten. Ik wil de stem van zogenaamd valse klanken of verzwegen trillingen laten horen. Alles is trilling, alles is energie. We moeten onze unieke stemvorken vastnemen en elkaar een tikje geven om onze verhalen los te weken.

Kijk hier naar mijn oproep: http://www.bloedtest.org/verhalen-en-getuigenissen/


Foto: Martin Adams by Unsplash

Vos en eekhoorn

Ik scroll niet meer door parallelle levens. Ik hou wel van Kunstenfestival Watou.

Facebook is een adressengids.

Vroeger kregen we De Flapuit in de bus. Ik zocht direct naar onze naam: een keer bij de juiste straat, een keer alfabetisch. Daarna las ik advertenties van handelaren uit ons dorp die ik niet kende. Dan verdween die onderaan de kast.

Ik ban de monsterapp van mijn telefoon.

Ze zegt dat elk leven een geschenk is, ook al zit het niet altijd in een mooie verpakking. Haar ogen zijn bruin. We besluiten dat we ons lijf eerst helemaal leeg moeten laten lopen voor we ruimte hebben voor nieuwe dingen.

Mijn voorhoofd gloeit en ik stap naar huis met een sleutel in mijn handen.

In de Ardennen zie ik een eekhoorn en een vos. De eekhoorn rent de boom in met een dennenappel in zijn mond. De vos maakt sprongetjes in het weiland naast het centre commercial. Hij ziet dat. Ik drink koffie. Ik heb niet zo’n goede ogen. Er komen soms vlekken op mijn lenzen als ik moe ben.

Oordoppen

Als je koud hebt, helpen oordoppen niet.

Zoiets krijg ik van mezelf te horen wanneer ik in bed lig met koude voeten.
Mijn grootste gesprekspartner ben ikzelf, met als gevolg dat ik aan anderen niet veel meer te vertellen heb. Als ik niet met mezelf zou praten, ben ik bang dat ik op straat wildvreemden zou aanklampen. Ik herhaal alles drie keer. Ik herhaal alles drie keer.

Ik denk aan de zin ‘toen brak het bos’. Iemand herinnerde me eraan dat ik die zelf geschreven heb. Toen ik het lied zocht waarin ze voorkomt, brak ik.

‘Een tak die breekt, wat maakt het uit maar toen jij ging, toen brak het bos.’

Het lukte me niet het lied de eerste keer tot het eind te zingen. Ik vind het altijd van een vreemdsoortige idolatrie getuigen wanneer ik moet huilen bij een eigen tekst. Toch was het deze keer niet zozeer om de woorden op zich te doen, maar om de hele bundel waarin ze zaten, de wereld waarin ik leefde toen ik zulke teksten schreef, de berg verdriet waar ik – van nu af bekeken – blijkbaar moederziel (ah, haha) alleen op zat, een berg zo groot, zo omslachtig, zo onomarmbaar, zo ongrijpbaar, zo onmetelijk.

De bundel ging dicht, niet meer op mijn lijf geschreven.
Het bos wel. Natuurlijk.

Bye bye matras

Ik droeg deze morgen mijn matras naar het containerpark.

Het is een emotionele dag.

Ze was mijn allereerste eigen grote bed, ondertussen meer dan tien jaar oud en volgens slaapadviseurs best rijp voor een tweede leven, toch was het met de krop in de keel dat ik met mijn witte, nachtelijke draagvlak van één meter zestig op twee meter weg reed van huis. Want hoeveel verhuizingen heeft ze wel niet meegemaakt? Hoeveel kilometers aan Vlaamse snelwegen zijn onder haar door gemaald? Meestal ingepakt in plastic, vastgebonden op een aanhangwagen die net iets te klein was. Ik koesterde de zwarte vegen gemaakt door die talloze ritten in de regen. Ze vertelden me hoeveel keer ik van huis had gewisseld.

Ik had door het liggen een put in haar gemaakt. Mijn rug zeurde elke ochtend opnieuw bij het opstaan maar ik genoot zo van haar oppervlakte. ’s Morgens diagonaal wakker worden, vier keer over je schouder rollen en nog kieperde ze je er niet uit, ’s zomers je voeten van onder het laken trappen en wijdbeens naar het plafond liggen staren.

‘Wat gaat er van ze worden?’, vroeg ik in aan de man in het containerpark. Ik durfde het woord ‘brandstapel’ niet te gebruiken.
Hij haalde zijn schouders op.
Ze mocht naar het milieustraatje. Dat klinkt mooier dan het is.

Misschien doet het afscheid het meeste pijn omdat ik nog precies weet hoeveel geld ze ooit heeft gekost. Geld dat ik niet eens zelf moest ophoesten omdat ik ze cadeau kreeg. De gulle schenker reed er al die jaren daarna ook nog eens mee van hot naar her, met mij naast zich en mijn blik onafgebroken in de achteruitkijkspiegel.

Foto Viktoria Alipatova (Pexels)