Saffraankip

Ik duw een trolley voor me uit in de wachtkamer. Een vrouw en haar therapeut huilen samen op de stoeltjes. In het lokaal waar ik vandaan kom, handelt mijn broer illegaal in schilderijen. Hij stopt geld en stukgesneden doek in houten kistjes die hij dan uitdeelt. Op de binnenplaats kuste ik een man omdat hij zei dat hij bang voor me was. Ik hield van zijn jas. De vrouw in de wachtkamer leert me dat als ik saffraaneieren wil dat ik dan saffraankippen moet houden. Zo simpel, denk ik

Wanneer ik wakker word, vind ik niet wat ik zoek. De bokaal met citroengras, brandnetelblad, anijszaad en gedroogde vruchten glijdt uit mijn hand en spat uiteen op de vloer.
Het is wachten op de eerste wonde.

Vlees

Terwijl ik een tomaat snijd, snijd ik ook in mijn ringvinger. Nadat ik de gebruikelijke eerste schrikdans heb uitgevoerd spoel ik het vruchtvlees van mijn handen, een seconde later welt de bloedstroom ijverig op en ik denk aan het pak chirurgische watten dat ik onlangs kocht en twee verdiepingen hoger ligt. Waarom heet dat zo en waarom zou een doorsnee mens dat moeten hebben, chirurgische watten? Je gaat me niet vertellen dat ze met dat materiaal menselijke holtes opvullen in het operatiekwartier. Dat vraag ik me af wanneer ik er mijn vinger in dep en dat weet ik wel zeker wanneer ik ‘s avonds de aangekoekte wattendraden uit de open wonde scheur zodat het hele ding weer naarstig gaat bloeden. Het ziet er niet fraai uit maar het is geen ramp. Stiekem kan ik wel genieten van een portie zelfoplapperij maar ik hoop vooral dat het vlees gauw aangroeit. Het in alcohol gedrenkte ontsmettingslapje maakt dat ik me concentreer op mijn ademhaling. Voor me zie ik het vlees nog liggen, het ministukje vinger dat ik tussen de tomatenschijfjes ben gaan zoeken en dat minder snel hard werd dan ik had gedacht. Ik gooide het na wat onderzoek in de vuilnisbak. Niet flauw over doen, geen sentimenteel gezeik nu, je gooit jezelf helemaal niet voor een deel symbolisch weg. Dat moest ik me erbij voorhouden. Boos was ik wel op mezelf, omdat ik mijn aandacht had verloren. Focus aub, nu is het idioot maar een andere keer is het dat misschien niet.

Blitz

‘Koriander, dat mocht ik vroeger niet.’ Ze tikt met haar wijsvinger een van de blaadjes aan en keert het plantje daarna de rug toe. ‘Maar ik heb het leren eten. Geleerd.’

Ondertussen zit ze op een van mijn nieuwe stoelen aan mijn nieuwe keukentafel. ‘Vintage?’ Ze trekt haar mondhoeken omlaag.

Ik leun tegen het aanrecht maar krijg geen lucht. Was mijn huis opgebouwd uit spieren dan raakten de muren in een mum van tijd verzuurd. Ik kijk of het korianderplantje niet ineenkrimpt. Het houdt stand.

‘Ja, frisse lucht’, zegt ze wanneer ik de deur op een kier zet. ‘Dank je. Ik dacht al. Wat heeft ze nu weer klaargemaakt?’ Een lach. Tegelijk een ademuitstoot.

Kan je een tikkende tijdbom nog uitschakelen? Welke bedrading moet ik daarvoor doorknippen? De blauwe lijntjes, die duidelijk zichtbaar van haar nerveuze vingertoppen tot aan haar verkrampte schouders lopen? Dat rode kluwen, waarin haar hele gezicht lijkt te zijn verstrikt? Of die dikke onzichtbare kabel, die ons onlosmakelijk en pijnlijk verbindt?

Ze staat op. ‘Nu ja, ik zie je morgen wel op het feest.’ Ze legt haar hand op mijn wang. ‘En liefje, eet niet te veel taart, dat staat je gewoonweg niet.’

Blitz

Connie

Ik lig met De Wetten in bed, het debuut van Connie Palmen. En terwijl ik over de mannen lees die één na één haar jonge leven overhoop gooien, lig ik feitelijk ook met die mannen in bed. Soms droom ik mee, soms komt behoorlijk wat afgrijzen opzetten.

Hoewel het aandeel van de jonge schrijfster in het aangaan van die relaties niet te onderschatten is, kijk ik vol bewondering hoe zij zich onvoorwaardelijk openstelt, keer op keer. Hoe ze afwacht en haar zelfbescherming uiteindelijk overboord gooit en vol vooruit gaat.

Het loopt niet goed af, het loopt nooit goed af. Maar ze doorziet ten minste haar mechanisme. Dat haar mysterieuze karakter waar die mannen zo gek op zijn een en al smacht en smart maskeert, is het niet om zichzelf te redden dan om de ander.

Waar ik nog het meeste jaloers op ben zijn haar kunst tot beschouwen en haar studie filosofie. Praktisch simultaan volg ik haar gedachtegang, alsof ik net achter haar de trap op loop en zonder problemen het denkritme volg zonder een trede over te slaan.

Er zijn momenten dat ik de woorden voel, wanneer ze beschrijft hoe de wereld om zich heen op haar inhakt en ik denk: Maar Connie, ben jij hoogsensitief?

Jij zegt het – I.M. – De vriendschap – De wetten

Het begon voor mij met Jij zegt het waarin ik passages kleurde en in de kantlijn kriebelde.

Een heerlijk, stukgelezen tweedehandsexemplaar van I.M. bracht me bijna meteen naar De Vriendschap waarvan ik – nu ik het opnieuw vastneem – ontelbare hoekjes heb omgeplooid om een duidelijk onderscheid te maken tussen mijn favoriete passages en die van mijn voorganger (want ja, ook tweedehands).

De Wetten kocht ik van mijn schrijfjuf Tine Mortier die richting Costa Rica vertrok. Dankzij Tine kon ik twee jaar geleden last minute naar je interview in het Kortrijkse Penhuis.

Maar nu, liefste Connie, – het voelt alsof ik je genegeerd heb maar waarom? – nu is het hek van de dam. De aflevering van Wanderlust waarin Alicja Gescinska bij je op bezoek komt, staat klaar. Je afstudeerscriptie Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates en je essay Het geluk van de eenzaamheid liggen voor me.

Het spijt me, maar ik geloof dat ik een idool heb.

Connie Palmen (foto Annaleen Louwes, Uitgeverij Prometheus)

De almachtige

Ik wil de herfst binnen slenteren. Maar ik vind de ingang naar het bos niet. Mijn verlangen er te zijn reikt over de daken van de huizen die in de groene rand zijn opgetrokken. Huizen die ruiken naar zoete peperkoek, waar de hete theepot de godganse dag op de stoof staat te tuffen, waar het zonlicht schuin naar binnen valt en met in de tuinen schommels die uitdagend slingeren over de bosrand, waarop je de benen strekt in een hunkering naar het verlokkelijke lichtspel van het woud maar ook de knieën weer buigt omdat de roep van moeder binnenshuis je lokt. 

Andere huizen lijken te zijn gebouwd op veroverde grond, wanneer het sprookje is gekocht. Tussen zonsopgang en zonsondergang is er achter de ramen geen leven te bespeuren. Er wonen eigenaars die pakken biljetten in hun achterzak dragen en het blinkende wagenpark doet de magie van de natuurkunst teniet. 

Tussen al die verschillende dromen ontmoet ik een schaap, lustig grazend van fris, lang gras in een weide zonder omheining. Die is ontsnapt, denk ik en ik knik bewonderenswaardig naar het dier. Het accepteert mijn glimlach en eet gemotiveerd verder. 

Wanneer de hoge bomen me eindelijk welkom heten, bedenk ik dat ik evengoed een egel kan zijn. Of een reus. Want het bos dat is almachtig. Hoe het er ook ruikt naar vrijheid en moespap van de gevallen bladeren, de geest van de natuur is voor elk wezen zowel zalvend als angstaanjagend. Moedig stap ik door. De verwondering ligt er voor het rapen als je je ogen en oren open houdt en met veel meer in mijn zakken dan een hand vol kastanjes laat ik het bos weer achter me. 

Als je de herfst binnenstapt, keert het seizoen je om.