Prins (ahum) Koning Pitoen – een sprookje

‘Ik wil buiten spelen. Moet ik nu echt de hele dag op die stomme troon zitten?’
Het gezicht van de jonge prins Pitoen loopt rood aan.
‘Uw vader, onze koning, heeft gezegd dat u vandaag moet leren troonzitten’, reageert de paleiswachter. ‘Morgen heeft u etiquetteles en leert u hoofs dansen.’
Prins Pitoen laat zich onderuitzakken op de troon.
‘Rechtzitten, jonge meester.’
‘Weet je wat ik wil’, roept de prins. ‘IK WIL LEREN ANNEXEREN! En daarom moet ik buiten spelen. Hoe zal het rijk van mijn vader anders groter worden? Hij is een luie koning. We moeten zeeën en bergen veroveren en als we er niet geraken moeten we desnoods bruggen bouwen!’
‘Ik bewonder uw strijdvaardigheid, jonge prins, maar de wil van de koning is wet. Zelfs voor zijn enige zoon’, zegt de wachter vastberaden. ‘U mag ook altijd huiswerk maken heeft hij gezegd’.
‘Ik kan niet wachten tot ik koning ben’, moppert prins Pitoen.

En zo geschiedde…

‘Ahaaa’. Het gejuich van Koning Pitoen De Eerste weerklinkt over het tentenkamp in een open plek in het bos. Zopas bezorgde een ridder een boodschap van aan het front.
‘Uw manschappen zijn erin geslaagd de volledige Driehoek aan de Zee van Alsof in te nemen, majesteit.’
Koning Pitoen legt een hand op zijn buik. Zijn darmen moeten wennen aan het eten buiten het paleis. Gisteren heeft hij met smaak de speciaal voor hem geschoten eland opgepeuzeld maar er moet toch iets met het dier aan de hand zijn geweest. Hij boert binnensmonds.
‘Laat de troepen onmiddellijk aan de bouw van een brug beginnen tussen mijn rijk en de Driehoek aan de Zee van Alsof. En zorg ervoor dat ze ineens drie datsja’s voor me neerpoten. Kan ik mijn vader zaliger – de goden hebben zijn ziel – eens laten zien hoe een echte koning te werk gaat.’

Drie dagen later houdt koning Pitoen zich krampachtig met twee handen vast aan de stam van een boom. Hij zit gehurkt en heeft zijn lange onderbroek tot aan zijn enkels afgestroopt. Tussen zijn tanden klemt hij de stof van zijn gewaad.
Er zit niks meer in, denkt hij. Ik heb die eland nu toch al helemaal uitgescheten? Ik zit hier verdorie al drie dagen te kakken in het bos.
In de verte rommelt het.
Wat voor een koning ben ik eigenlijk? Ik kan mijn eigen troepen niet eens meer aansturen.
Het begint te regenen, steeds harder. De koning is in een mum van tijd kletsnat.
‘Het spijt me vader’, huilt hij. ‘Het is het niet waard. Je had gelijk. Hoe slim of mooi we ook mogen zijn, ons koninklijk geslacht is niet gemaakt voor het buitenleven.’
Net wanneer hij denkt dat de aanval voorbij is en hij terug recht wil staan, kondigt een pijnlijke kramp een verse lading aan.
‘Het spijt me, vader.’ De koning richt zijn verkrampte gezicht naar de hemel. ‘Ik zal nooit meer buiten spelen.’
Het gejammer van koning Pitoen overstijgt het geluid van de vallende regen, de kwetterende vogels, de wind in de bomen. Als je goed luistert, kan je het horen.

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *