Zielenroep

Die dag ga ik solliciteren in een psychiatrische instelling. Meer dan met het gesprek ben ik bezig met het idee dat ze me er zullen houden. Omdat ik niet stabiel ben, omdat ik het sollicitatiespel dat ik normaal goed kan spelen bij hen niet zal kunnen spelen. Omringd door zielenknijpers, argusogen en friemelbreinen vrees ik door de mand te zullen vallen.

En ook, ik ben visueel niet evenwichtig. De pijnlijke lies die de kop opsteekt na een week in een stapelbed te slapen trekt door naar mijn knie en enkel. Tijdens het stappen schiet ik nu en dan door mijn been waardoor ik lichtjes hink. Ik zie mezelf al struikelen door lege, imposante gangen op zoek naar het kamertje waar de interviewer op me wacht, doordrenkt van het pijnlijke besef dat alle ogen op het domein – die van personeel én patiënten – dwars door mijn masker heen kijken. Ik zal zoeken naar de canapé waarop ik mag gaan liggen en de vraag ‘noem drie negatieve kenmerken van jezelf’ met geschreeuw beantwoorden: ‘Er zijn er zoveel, meneer.’

De hoge plafonds zullen de echo van mijn zielenroep incasseren en er zal geknikt worden. ‘Het is goed dat je gekomen bent.’ Ik zal naar adem happen. Door smalle, dunne vensters zal ik een roodborstje zien springen in de takken van een bessenstruik. En er zal verlichting komen. Verlichting in de hand die op mijn schouder zal liggen. Een hand die me door de nu dun bevolkte gangen richting uitgang brengt. En de zon zal schijnen. Met de gloed van de hand op mijn schouder zal ik bevrijd worden. En ik zal zeggen: ‘Het is zo gek nog niet.’

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *