De almachtige

Ik wil de herfst binnen slenteren. Maar ik vind de ingang naar het bos niet. Mijn verlangen er te zijn reikt over de daken van de huizen die in de groene rand zijn opgetrokken. Huizen die ruiken naar zoete peperkoek, waar de hete theepot de godganse dag op de stoof staat te tuffen, waar het zonlicht schuin naar binnen valt en met in de tuinen schommels die uitdagend slingeren over de bosrand, waarop je de benen strekt in een hunkering naar het verlokkelijke lichtspel van het woud maar ook de knieën weer buigt omdat de roep van moeder binnenshuis je lokt. 

Andere huizen lijken te zijn gebouwd op veroverde grond, wanneer het sprookje is gekocht. Tussen zonsopgang en zonsondergang is er achter de ramen geen leven te bespeuren. Er wonen eigenaars die pakken biljetten in hun achterzak dragen en het blinkende wagenpark doet de magie van de natuurkunst teniet. 

Tussen al die verschillende dromen ontmoet ik een schaap, lustig grazend van fris, lang gras in een weide zonder omheining. Die is ontsnapt, denk ik en ik knik bewonderenswaardig naar het dier. Het accepteert mijn glimlach en eet gemotiveerd verder. 

Wanneer de hoge bomen me eindelijk welkom heten, bedenk ik dat ik evengoed een egel kan zijn. Of een reus. Want het bos dat is almachtig. Hoe het er ook ruikt naar vrijheid en moespap van de gevallen bladeren, de geest van de natuur is voor elk wezen zowel zalvend als angstaanjagend. Moedig stap ik door. De verwondering ligt er voor het rapen als je je ogen en oren open houdt en met veel meer in mijn zakken dan een hand vol kastanjes laat ik het bos weer achter me. 

Als je de herfst binnenstapt, keert het seizoen je om.

Leave a comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *